Zorg - Zorg op school
Het zorgbeleid op onze school
ZORGEN IS EEN WERKWOORD
… en meestal gebruiken we het in de actieve vorm. Uiteraard zal voor, tijdens en na het zorgen ook veel gepraat en overlegd worden, maar dan wel doelgericht, kindgericht, inhoudgericht. Praten alleen zal evenwel niet volstaan. Praten, overleggen, afspreken, afwegen, taken verdelen: het moet leiden tot actie ondernemen, doen, preventief handelen, ontwikkelen, aanbieden, ondersteunen, begeleiden, evalueren, corrigeren, remediëren en uiteraard tot zorg dragen.
Dit is het wezenlijke doel van een zorgplan: alle betrokkenen doen iets, ze zijn actief zorgend bezig, ze zetten een pedagogisch-didactisch proces op, ze werken met en voor kinderen ….
1. Visie op zorg
Het is belangrijk dat elke school een visie op haar zorgbeleid uittekent. Een zorgbeleid behoort tot de kern van het functioneren van een kwaliteitsvolle school. Het is dan ook logisch dat de visie op het zorgbeleid een onderdeel is van het schoolwerkplan.
Vanuit de visie dat kinderen mogen verschillen wordt aandacht besteed aan preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, alsook aan het begeleiden van socio-emotionele problemen.
Vanuit de kinderen die extra aandacht vragen, om welke reden dan ook, kunnen wij het aanbod van de school aanpassen aan de noden en de mogelijkheden van het kind. Een instrument om het onderwijsaanbod beter af te stemmen op maat van de leerlingen, is differentiëren.
Het gaat bij ons niet zonder meer om een technische aangelegenheid, maar om een goed omschreven visie waar de school achter staat en die het leerkrachtenteam dagelijks tracht waar te maken.
Er wordt nagedacht over de doelstellingen die we, met het ene kind wel en met het andere kind niet, kunnen bereiken. Er wordt nagedacht over de instructiewijze, over de materialen en over de manier van evalueren.
Hierdoor wordt de klemtoon gelegd op het opvolgen van de ontwikkeling van de individuele leerling.
We gaan na wat een kind kan en hoever het kan geraken. Er wordt wel rekening gehouden met de draagkracht van de school. De leerkrachten hebben een duidelijke zicht op het ontwikkelingsproces. Als middel om dit te volgen, wordt het kindvolgsysteem gebruikt.
Een goed zorgbeleid wordt gedragen door alle teamleden van de school, de leerlingen, de ouders en het begeleidend CLB.
We opteren voor een continuüm van zorg. De verschillende vormen van hulpverlening die kunnen worden ingeschakeld naar gelang van de aard en de graad van de moeilijkheden en de draagkracht van alle betrokkenen, vormen een continuüm van op elkaar afgestemde diensten.
Het model van een continuüm van zorg zoekt voor de leerling de minst segregerende omgeving. Preventieve zorg en planmatige zorg zijn dan ook de pijlers voor onze ‘zorgbrede’ school.
De leerkracht heeft de centrale verantwoordelijkheid. Het is dan ook niet vreemd dat er sprake is van ondersteuning van de leerkracht. Belangrijk is dat de leerkracht er niet meer alleen voor staat. De leerkracht kan met de zorgcoördinator, het kernteam, het MDT en het schoolteam samenwerken. Het team kan de zorgvragen op school verwoorden en zelf dus ook een beroep doen op ondersteuning. Deze praktijkbegeleiding noemen we collegiale coaching. De tussenkomsten van de coach/zorgcoördinator gebeurt op basis van gelijkwaardigheid en gelijkheid. De zorgcoördinator is immers een collega onder de collega’s.
Vanuit de gedeelde deskundigheid ondersteunt de zorgcoördinator de beeldvorming rond kinderen en stimuleert hij het overleg rond zorg. Dit maakt het mogelijk dat onze school haar eigen deskundigheid vergroot in samenwerking met andere diensten. Ook hierdoor wordt het team zich bewuster van de draagkracht van de eigen school en wat men van het schoolteam rederlijkerwijze kan verwachten.
Continuüm van zorg
- Zorg is de verantwoordelijkheid van de groepsleraar
- overleg tussen groepsleraar en zorgcoördinatie
- collegiale coaching en ondersteuning van de groepsleraar
- begeleiding van leerlingen
- externe hulp inschakelen
- een verantwoorde doorverwijzing naar het buitengewoon onderwijs
Dit continuüm beschrijft de belangrijkste stappen die er in de school mogelijk zijn vóór een kind moet worden doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs. Essentieel is zeker dat onze school zelf zorg draagt voor het kind en de problemen die zich stellen. Waar nodig kunnen we zelf de vorming van en ondersteuning aan de leerkrachten versterken. We kunnen daarvoor ook een beroep doen op externe diensten zoals CLB, een revalidatiecentrum, een logopedist en een sociaal centrum. Overleg in team en met ouders is een sleutelwoord in de begeleiding van kinderen met problemen op school. Als de draagkracht van de school en de klasleerkracht niet volstaat, kunnen stappen worden ondernomen voor een verantwoorde doorverwijzing naar het buitengewoon onderwijs.
Ons zorgplan wordt gedragen en geconcretiseerd vanuit onze visie. De realisatie ligt in handen van het leerkrachtenteam. De klasleerkracht schept het klimaat waarin zoveel mogelijk kinderen zich goed voelen en optimaal betrokken zijn bij het onderwijsaanbod. Andere teamleden helpen klasintern of klasextern die zorg waar te maken. Het zorgteam of de zorgcoördinator begeleidt het team om het zorgverbredingsproces op te volgen en de samenhang en continuïteit ervan te bewaken. Belangrijk is dat de aanwezige deskundigheid op een passende, efficiënte manier en op het gepaste moment wordt aangesproken.
Een goede coördinatie is dus erg belangrijk.
2. Zorg is een teamgebeuren.
Zorgbeleid is een opdracht voor ons hele team. Maar binnen het team worden een aantal specifieke taken uitgevoerd die het zorgbeleid in de school richting geven, stimuleren, professionaliseren. Het schoolwerkplan waarin de schoolzorg uitgebreid aan de orde komt, draagt ertoe bij dat iedereen zijn taak kent, opneemt en realiseert.
2.1. De algemene zorg in een krachtige leeromgeving
Op het niveau van de klas dient de leraar in voldoende mate in te staat zijn zijn/haar onderwijs aan te bieden aan alle leerlingen door een goede en effectieve didactiek. Naarmate de zorgbrede, preventieve aanpak toeneemt, zullen meer leerlingen op dit niveau van het onderwijs kunnen profiteren.
De zorg voor de leerlingen in de groep blijft in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de groepsleraar. Hij/zij schept de voorwaarden en het klimaat waarin zoveel mogelijk kinderen zich optimaal betrokken voelen door het onderwijsaanbod. Daarom moet de klasleerkracht ook beschikken over de basisvaardigheden om te signaleren, te diagnosticeren en te begeleiden: goed kunnen observeren, inzicht hebben in de beginsituatie van alle kinderen, doelstellingen trapsgewijs kunnen opstellen, signaalfuncties waarnemen, preventief problemen onderkennen en opvangen, individualiseren en differentiëren.
2.2. De extra zorg door de klasleerkracht
Ondanks de zorgbrede en preventieve aanpak op klasniveau, kan er voor bepaalde leerlingen behoefte ontstaan aan extra ondersteuning. Er wordt een systematische begeleiding op punt gezet om het verstoorde evenwicht te kunnen herstellen of te verminderen. De zorg heeft hier een remediërend karakter.
Daartoe dient de leerkracht die deze hulp biedt, inzicht te hebben in de beginsituatie, in het verloop van de leerprocessen, op de hoogte zijn van de remediëringsmogelijkheden, samenwerken met andere leerkrachten en ouders, positieve benadering van de leerling.
2.3 De speciale zorg met de hulp van een zorgbegeleider of zorgteam
Voor een aantal kinderen zullen voorgaande zorgpistes nog niet volstaan. Toch zijn er steeds kinderen die ondanks een goede klassikale instructie en een hele reeks preventieve maatregelen, nood hebben aan meer specifieke en gerichte hulp. In bepaalde gevallen moet je remediërend tussenbeide komen. Tijdens het gezamenlijk overleg van de klasleerkracht met de directie, de taakleerkracht, de zorgcoördinator, de CLB-medewerker en de ouders (MDO) worden de eventuele moeilijkheden in kaart gebracht en trachten we met efficiënte interventies de leerling verder te begeleiden. Het handelingsplan stipuleert een remediëringstraject, dat bij voorkeur klasintern wordt aangepakt, maar dat als het moet, buiten de klas kan worden verdergezet.
De gerichte hulp wordt dus niet georganiseerd door de taakleerkracht of de verantwoordelijke voor de zorgcoördinator, maar door een multidisciplinair team of zorgteam, waar de klasleerkracht een centrale plaats inneemt door het verwoorden van de zorgvraag.
2.4 Bijzondere zorg met de hulp van (externe) deskundigen
Wanneer qua zorgbreedte de draagkracht van de school wordt overschreden, kan er een beroep worden gedaan op een van de schoolomringende diensten of op de expertise van het buitengewoon onderwijs.
Door het buitengewoon onderwijs kan aan GON-leerlingen additionele hulp verstrekt worden terwijl ze op de gewone school zitten.
2.5 De schooloverstijgende zorg
Gelukkig vinden leerlingen met leerproblemen meestal voldoende baat bij de leerhulp in de gewone school. Voor een aantal kinderen zal het zorgsysteem echter nog ontoereikend zijn omwille van zeer specifieke onderwijsbehoeften. Zelfs in een positief zorgverbredend schoolklimaat blijven de middelen van een gewone school voor de opvang van leerlingen met speciale onderwijsnoden eerder beperkt. In sommige gevallen beschikt ons team niet over de nodige deskundigheid of middelen om een leerling in zijn/haar ontwikkeling te begeleiden. Onze school gaat dan samen met de ouders en het CLB op zoek naar andere onderwijsoplossingen. De leerling doorverwijzen naar buitenschoolse hulp of het buitengewoon onderwijs zijn mogelijke alternatieven.
3. De zorgactoren
School
*De klasleerkracht
*Directie
*Zorgcoördinator
*De beleidsondersteuners
*GOK-leerkracht lager onderwijs
*GOK-leerkracht kleuteronderwijs
CLB:
*Maatschappelijk werkster: Mieke Gunst
*Pedagoge: Sigrid Hancke
4. Taken van de zorgbegeleider op drie niveaus
- Op leerlingniveau
- Op leerkrachtniveau
- Op schoolniveau
De zorgtaken op de drie niveaus mogen en kunnen niet van elkaar gescheiden worden. De zorgcoördinator dient deze samenhang tussen de niveaus bewust te stimuleren en waar te maken.
Dat een zorgbeleid steeds vorm krijgt door gerichte acties op de drie terreinen, betekent niet dat al die acties door één persoon moeten worden uitgevoerd.
Zorgbeleid is een teamgebeuren.
Het zorgbeleid wordt uitgewerkt volgens het aantal beschikbare uren, de specifieke noden van de kinderen en de aanwezige deskundigheid in het leerkrachtenteam.
4.1 Coördinatie van het zorgbeleid op niveau van de leerling.
*Hulp bij leer- of gedragsproblemen aan individuele leerlingen of aan groepjes leerlingen. Observeren van leerlingen en bespreken.
*(Samen) uitvoeren van de handelingsplannen.
*Versterken van het welbevinden van de leerling.
*Crisissituatie opvang leerlingen.
*Zorg i.v.m. individuele leerlingendossiers.
*Individuele remediëringsessies organiseren voor een kind met hardnekkige rekenproblemen, met aandacht voor de link naar de gevolgde didactiek in de klas.
*Een intensieve leestraining combineren met het ontwikkelen van een individueel leertraject voor deze leerling met een aangepaste methode en passende materialen.
4.2 Coördinatie van het zorgbeleid op niveau van de leerkracht.
*De leerkrachten ondersteunen tijdens hoekenwerk/contractwerk. Dit om de leerkracht de kans te geven te differentiëren. Zo kunnen er zowel betere preventieve als remediërende interventies voorzien worden. Dit kan zowel met de groep als met de individuele leerlingen.
*Contractwerk begeleiden.
*Ondersteunen van de leerkracht door middel van didactische suggesties i.v.m. preventief vermijden van leerachterstanden- en problemen. .
*Hulpmiddelen aanreiken inzake detectie en probleemanalyse. Nieuw diagnostisch materiaal opzoeken, uittesten, lanceren en evalueren.
*Helpen bij het ontwikkelen van differentiatiemateriaal.
*Ondersteunen via een handelingsgerichte diagnostiek.
*Samenwerken aan het opstellen van een handelingsplan.
*Samen zoeken naar oplossingen en interventies.
*Samen opvolgen en evalueren van de interventies en van de algemene aanpak.
*Collegiale coaching van leerkrachten door vanuit een collegiaal overleg te zoeken naar aanpakmogelijkheden voor leerlingen met specifieke hulpvragen. .
*Helpen bij het optimaliseren van het afstemmen van het pedagogische klimaat in de klas op hulpvragen (werken aan sociale vaardigheden).
4.3 Coördinatie van het zorgbeleid op niveau van de school.
*Wie het zorgbeleid coördineert, is zichtbaar aanwezig op de school en maakt deel uit van het schoolteam. Hij/zij is het aanspreekpunt voor elke zorgvraag van zowel leerlingen, leerkrachten, ouders, externe hulpverleners, … Coördinatie veronderstelt dat men weet wat de vooropgestelde doelen zijn en op wie men daarvoor beroep kan doen, zowel intern als extern. Een beleid ontwikkelen vanuit een door het schoolteam gedragen visie en gezamenlijke doelgerichtheid is hierbij onontbeerlijk.
*De zorgcoördinator moet overlegmomenten kunnen organiseren, organiseren van collegiaal overleg rond het voorkomen en aanpakken van probleemgedrag.
Het is belangrijk dat pedagogisch-didactische knelpunten bespreekbaar worden gemaakt en dat men zoekt naar een gelijkgerichte aanpak binnen de school. Dit moet ook kunnen met externen. De ouderbetrokkenheid kunnen stimuleren en de communicatie met de ouders bevorderen is één van onze aandachtspunten binnen het zorgbeleid.
*De zorgcoördinator verzorgt de brugfunctie naar het CLB dat de school begeleidt.
*De zorgcoördinator dient de zorgprioriteiten op te volgen (o.a. werkgroepen, vergaderingen, …) Personeelsvergaderingen voorbereiden, geven en bijwonen.
*Bijscholingen volgen en eventuele inhouden doorgeven of toegankelijk maken.
*Testen (helpen) afnemen, invoeren, analyseren en bespreken.
*Concrete initiatieven die op het niveau van de school genomen worden, zijn:
- Introduceren en ondersteunen van het gebruik van het kindvolgsysteem.
- het verfijnen van het kindvolgsysteem.
- het optimaliseren van de MDO-formulieren zodat het MDO gerichter kan doorgaan.
- Een leerlijn opstellen voor contractwerk en dit opvolgen.
- Uitproberen van flexibele werkvormen om beter te kunnen differentiëren.
- Organiseren van registratie van nuttige informatie over de leerlingen (leerlingdossier) en dit toegankelijk maken voor alle betrokkenen.
- Inrichten van een toegankelijk documentatiecentrum, het uitbouwen van een orthotheek en bijhouden.
- Werken met instrumenten om sociale vaardigheden bij te brengen.
- Uitbouwen van een netwerk van personen, diensten en scholen waarmee kan samengewerkt worden en/of ondersteuning kan gevonden worden.
- Week- en maandopeningen: maandelijkse openingen om waarden aan te brengen voor heel de school (= verbondenheid benadrukken)
- Organiseren en coördineren van de differentiatie-initiatieven naar doelen, inhouden, werkvormen, evaluatie, tempo, …
- Stimuleren van ouderbetrokkenheid.
- Organiseren van contacten met ouders.
- Zelfevaluatie van het zorgbeleid en bijsturing.
- Afspraken in een definitieve tekstvorm zetten voor het schoolwerkplan.
5. Professionalisering
Een investering in de deskundigheidsbevordering van ons team vinden we belangrijk. Daarom is het een must dat we teamgerichte nascholingen volgen in verband met zorg, want het werken aan en het optimaliseren van zorgverbreding vraagt professionaliteit van individuele leerkrachten en van het schoolteam. De school dient daarom het nascholingsbeleid aan te passen aan de prioriteiten van de zorg. Voor het uitbouwen van een coherente zorgaanpak is het belangrijk dat het hele schoolteam zich bijschoolt en niet enkel de individuele leerkracht.
Daarnaast krijgt elke leerkracht zeker de kans om zich individueel bij te scholen rond zorg.
6. Kwaliteitsbewaking
6.1 Interne kwaliteitszorg
*Omdat wij aan kwaliteitsvol zorgbreed onderwijs willen werken, moeten we rekening houden met de beginsituatie. Deze situatie kan in kaart gebracht worden via BSA’s, vormen van zelfevaluatie, …
Het team evalueert de opties en prioriteiten van het schoolwerkplan in verband met zorg. Een schoolwerking is niet statisch, maar beweegt en evolueert. Het is dus goed om regelmatig te evalueren. Wat goed is, wordt behouden of verfijnd en waar nodig worden correcties doorgevoerd.
6.2 Externe kwaliteitszorg
*Wij kregen voor 2008 – 2011 32 GOK-uren. We verbinden ons er dan ook toe om een beleidsplan voor GOK uit te schrijven. We houden draaiboeken bij en houden degelijke zelfevaluaties rond GOK. Daarna volgt er een aparte evaluatie door de inspectie.
*De middelen van het zorgbeleid worden aangewend waarvoor ze bedoeld zijn.
7. Is het zorgbeleid een meerwaarde?
*voor de kinderen
Door tegemoet te komen aan hun noden, zullen meer kinderen meer succes ervaren in wat ze leren. Op die manier draagt een goed zorgbeleid niet alleen bij tot het verhogen van de motivatie en het welbevinden van de kinderen maar zorgt het er ook voor dat meer kinderen meer voordeel halen uit het aanbod van de school. Ze leren meer en beter. Bovendien krijgen meer kinderen de kans om onderwijs te volgen in een gewone school.
*voor de leerkrachten
Zij krijgen meer inzicht in de aard van de problemen en hun eigen rol daarin. Ze worden deskundiger in het omgaan met verschillen, zowel preventief als remediërend.
*voor de school
Men werkt op een doelgerichte wijze en binnen een gedeelde visie op ‘zorg voor de leerlingen’. Hierdoor ontstaat een meer duurzame manier van werken die gaat behoren tot de cultuur van onze school.
8. De belangrijkste grenzen van de zorg op onze school
Teneinde een duidelijk beeld te geven van wat op onze school als zorg kan gerealiseerd worden, is het van belang nadrukkelijk de grenzen van deze zorg aan te geven. Deze grenzen gelden hier en nu. M.a.w. we houden rekening met de deskundigheid van ons huidige team en met bepaalde items van datgene wat de ouders vandaag van ons verlangen. Deze grenzen kunnen telkens opnieuw verlegd worden. D.w.z. dat ze moeten kunnen veranderen als de overheid ons daartoe verplicht, of als er een ander ‘type’ kind onze school bezoekt, of als de deskundigheid van onze (toekomstige) leerkrachten verandert.
De belangrijkste grenzen van de zorg op onze school zijn de volgende:
- De intellectuele mogelijkheden moeten toereikend zijn om de eindtermen, opgelegd door de overheid, te kunnen halen. Dus het kind moet minstens de leerstof tot het niveau van het 4de leerjaar kunnen beheersen.
- Afwijkend gedrag wordt grensoverschrijdend als andere leerlingen daardoor regelmatig gedupeerd worden.
- Extrazorg moet in principe binnen de school gerealiseerd kunnen worden. Dat betekent dat een kind altijd als leerling in een klas mee moet kunnen.
- Een handelingsplan moet in principe grotendeels binnen de school uitvoerbaar zijn. Het is evenwel mogelijk om externe hulp van bijvoorbeeld een logopediste of revalidatiecentrum in te schakelen of deze te consulteren.
- Van leerkrachten mag verwacht worden dat ze voldoende flexibel zijn om de zorg binnen de school en onder schooltijd te realiseren zonder dat de andere leerlingen hierdoor in hun belangen worden geschaad.
9. Algemene zorginitiatieven
Deze rubriek geeft een overzicht van alle mogelijke zorginitiatieven die niet op een welbepaalde doelgroep van leerlingen focussen maar de gehele leerlingenpopulatie ten goede komen, uiteraard met inachtneming van de grenzen zoals geformuleerd in rubriek 8.
De verschillende initiatieven worden geordend per niveau:
- Op leerling-niveau wanneer de leerling rechtstreeks bij het zorginitiatief betrokken is.
- Op leerkrachtniveau wanneer de individuele leerkracht m.b.t. het gestelde zorginitiatief begeleid wordt.
- Op schoolniveau wanneer het zorginitiatief op de gehele school betrekking heeft.
10. Terminologische afspraken
ASS of Autismespectrumstoornis Leerlingen met autisme of autismespectrumstoornis hebben moeite met communicatie, sociale interactie en creatief verbeeldingsvermogen. Ze zijn over- of ondergevoelig voor zintuiglijke prikkels. Minder gestructureerde situaties kunnen angst en onzekerheid veroorzaken. Autisme kent een aantal kenmerken, maar elke leerling met autisme heeft een sterk eigen profiel en vraagt een aangepaste aanpak. (1943)
ADHD of Attention Deficit Hyperactivity Disorder Leerlingen met ADHD vertonen een gebrek aan concentratie, zijn impulsief en overbeweeglijk. Soms kunnen ze echter wel rustig met iets bezig zijn dat hen echt interesseert. Hier bevindt er zich een teveel aan dopamine (= lln zijn constant in ‘overdrive’). (1935)
ADD of Attention Deficit Disorder Leerlingen met ADD vertonen een gebrek aan concentratie en volgehouden aandacht. Hun denken verloopt chaotisch.
(ADHD type 1)
Continuüm van zorg is een aanbod van op elkaar afgestemde diensten bij de hulpverlening. Er is bij het continuüm van zorg nooit sprake van een chronologisch aanbod van diensten. Een school beschikt over een aantal middelen en diensten en die worden ingezet met het oog op de aard en de moeilijkheid van het kind.
Dyscalculie Deze leerlingen vertonen opvallende en blijvende moeilijkheden met rekenen en wiskunde. (1990)
Dyslexie Deze leerlingen vertonen opvallende en blijvende moeilijkheden met lezen. Zij lezen hun vragen dikwijls verkeerd en antwoorden dan ook fout of onvolledig. Bij vreemde talen geeft dit heel wat problemen. In 95% van de gevallen gaat dit samen met dysorthografie. (1896)
Dysmnesie Deze leerlingen vertonen een aangeboren geheugenstoornis. (2000)
Dysorthografie Deze leerlingen vertonen opvallende en blijvende moeilijkheden met spelling. De fouten die zij maken lijken op verstrooidheidsfouten.
Dysphasie Deze leerlingen vertonen opvallende en blijvende schriftelijke en mondelinge taalproblemen.
Dyspraxie Deze leerlingen hebben opvallende en blijvende moeilijkheden met motorische vaardigheden. Moeizaam en moeilijk leesbaar geschrift. Onhandigheid, knoeien met eten, langzaam bij omkleden. Moeite met turnen en balspelen, moeite met evenwicht en reactievermogen.
Faalangst Faalangst is angst bij het presteren, de vrees om te mislukken. Om van faalangst te kunnen spreken is er een situatie nodig die door der persoon als belangrijk wordt beschouwd en waarin die persoon een prestatie moet leveren die door anderen wordt beoordeeld en waarbij de kans op mislukken door diezelfde persoon als zeer reëel wordt ingeschat.
Gedragsprobleem Ongewenst gedrag waarmee een individu te kennen geeft dat het worstelt met een bepaalde situatie of relatie. Het verband tussen oorzaak en gedrag is niet altijd duidelijk noch eenduidig.
Gedragsstoornis Een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon waarbij de grondrechten van anderen of belangrijke bij de leeftijd horende sociale normen worden overtreden zoals blijkt uit de aanwezigheid gedurende de laatste 12 maanden van 3 of meer van de volgende criteria, met ten minste in de laatste 6 maanden één criterium aanwezig: agressie gericht op mens en dier, vernieling van eigendom, leugenachtigheid of diefstal, ernstige schending van regels.
GOK Gelijke OnderwijsKansen
HDD of hyperactivity deficit disorder (ADHD type 2)
Hoogbegaafdheid Zij vertonen een grote honger naar kennis en nieuwe inhoud. Zonder veel inspanning pikken ze leerinhouden op. Meestal ontwikkelen ze weinig of geen leer- of studievaardigheden. Ze vervelen zich snel. Als hun parate kennis en snelle geest niet meer volstaan om voldoende te presteren, kunnen ze faalangst en problematisch uitstelgedrag ontwikkelen.
Inclusie
KOPP Kinderen van ouders met psychologische problemen.
NLD Non Verbal Learning Disorder. Zij hebben zwakke motorische, probleemoplossings-, sociale en non-verbale vaardigheden. Ruim 65% van de communicatie vindt non-verbaal plaats. De leerling met NLD kan deze signalen moeilijk interpreteren en voor zichzelf toepassen. Moeilijkheden met ruimtelijk inzicht, fijne motoriek, visuele informatie, vrienden maken en zelfredzaamheid.
Leerachterstand (LA). Hiermee het tijdelijk achterop raken van een voorheen normaal presterende leerling bedoeld, omwille van medische of socio-economische factoren.
Leerprobleem (LP). Hiermee wordt een tijdelijk onderpresteren van een bepaalde leerling aangegeven. Meestal omwille van externe factoren.
Leerstoornis (LS). Hiermee wordt een stoornis bedoeld die belet dat men tot automatiseren van handelingen komt die leiden naar een vlotte beheersing van een aantal vaardigheden. Deze stoornis is blijvend van aard, omdat ze berust op neuro-chemische of neuro-fysiologische gronden. Men spreekt hier ook over leersyndromen omdat het bestaan van een aantal symptomen moet kunnen worden aangetoond.
Leervertraging (LV). Hiermee duidt men een vertraging aan die zich voordoet bij de verwerving van (schoolse) vaardigheden. Deze problematiek heldert meestal op voor het 11de levensjaar, wanneer het individu voldoende ‘rijp’ is geworden.
LVS of Leerlingvolgsysteem van Garant.
Persoonlijkheidsstoornis Een diepgaand patroon van karakteristiek gedrag en emotionele beleving waarin anderen worden betrokken.
Pervasieve ontwikkelingsachterstand (PO) of ontwikkelingsstoornis wijst op een ernstig vertraagde ontplooiing van de verschillende intellectuele vaardigheden (IQ <80) en/of het sociaal aanpassingsvermogen. Gekende beelden zijn autisme, syndroom van Down, …
Tourettesyndroom Dit is een fysiologisch verwant van ADHD, want hier vinden we een teveel aan dopamine in de hersenstam.
Verworven stoornis Een functioneel en/of cognitief defect dat optreedt na een beschadiging van het voorheen ‘normaal’ werkend zenuwstelsel.